
Of ze nog een buurt in Porto weet waar toerisme minder welig tiert, vraag ik de hotelreceptioniste. Ben namelijk een reiziger, geen toerist, verduidelijk ik. Ze kijkt me meewarig aan, klapt de kaart open en wijst op een plek aan de monding van de Douro. ‘Een vissersdorpje. Kun je prima lunchen.’ Daar komt geen hop-on-hop-off-bus, da’s mooi, maar de gewone bus ook niet echt. Die zet me, na twee keer overstappen, af aan de rand van een snelweg. Vangrail over klauteren, vaag trapje vinden en twintig minuten de heuvel omlaag lopen.
Langs kleine huizen aan straatjes, smaller nog doordat zo’n beetje elke bewoner de schone was buiten hangt, aan droogrekken vol adidas-sokken, vale spijkerbroeken en grote witte damesonderbroeken. Dichterbij de haven zie ik steeds meer restaurantjes. Ze doen nauwelijks hun best zich van elkaar te onderscheiden: wit plastic meubilair, verschoten Superbock-parasols en in ieder geval een barbecuerooster op de stoep. Het is april, uur of één, veel tentjes zijn open, hier en daar zitten wat Portugezen te eten, te drinken en te roken.
Ik vind een tafeltje en bestel sardientjes op aanraden van de uitbater, een lange vijftiger met praatjes, zeker wanneer ik hem vraag of hij dezelfde tandarts heeft als Jürgen Klopp, de voormalige Liverpool-trainer met veel te witte tanden. Die van hem zijn niet echt, vertelt hij. Komen uit Turkije. En drinkt nog een goeie slok van het glas witte wijn dat hij heeft gestald op een tafel bij een stamgast. Hij neemt het ervan, legt hij uit, iets met dat je het toch niet mee kan nemen in je kist. Zijn vrouw loopt de borden, leesbril op haar voorhoofd, fronst haar wenkbrauwen zo nu en dan in het voorbij gaan.
‘Is dat je broer?’ wijs ik op de man die mijn sardientjes aan het grillen is, ook een vijftiger, vriendelijke kop, buikje boven iets afgezakte spijkerbroek. Dat niet, het blijkt de buurman, praat ook graag. Werkte nog in Urk, vertelt-ie, als visser. ‘Goed volk.’ En daarvoor, meldt hij terloops, was hij jarenlang profvoetballer, bij Boavista, in zijn tijd de vierde club van Portugal. Hij veegt zijn handen schoon aan de theedoek aan zijn broek, vist zijn telefoon uit een zak en laat me een foto zien. Een Panini-plaatje, voetballer in rood shirt, Gomes. Speelde zelfs vijf interlands. En nu werkt hij hier, woont aan de overkant – hier eens een keer geen damesonderbroeken aan de lijn. Voetbalde duidelijk in een tijd dat zaakwaarnemers je nog niet miljonair maakte op je twintigste. ‘Ik ben gelukkig zoals ik nu leef,’ zegt hij dan. En nog een keertje, iets zachter, tegen zichzelf. Met saudade, die alleen Portugezen kennen.





